De bron waaruit ik gedronken heb

Herinneringen

Anton Constandse

paperback/ gebrocheerd: € 17.50
ISBN: 978-90-79395-03-3, geïllustreerd, 134 blz., December 2009
Formaat: 21.0 (h) x 14.8 (b) x 1.0 (d) cm. Gewicht: 230 gram.

Uitgever: Kelderuitgeverij

inleiding: Rudolf de Jong

redactie: Laurens van Krevelen

Inleiding door Rudolf de Jong

Inleiding

Laat ik een inleiding bij de herinneringen van Anton Constandse beginnen met een tweetal persoonlijke herinneringen aan hem uit de jaren vijftig van de vorige eeuw.

In die dagen waren mijn broer Arthur en ik zeer actief in de Humanistische Jongeren Gemeenschap (HJG). Zo bezochten wij eens een vergadering (bijeenkomst heette dat) van het Humanistisch Verbond in Haarlem (wij woonden in Heemstede) waar Anton een lezing hield. Het publiek bestond uiteraard uit Haarlemmers die ook nog eens humanist waren: keurmerk voor keurigheid. Op het laatste moment trad er echter een persoon binnen die niet aan het keurmerk voldeed. Een zonderling. Verwaarloosd van uiterlijk en kledij. Ik meen met een gebroken brillenglas dat hij hersteld had met een strookje papieren plakband zoals je ze aantrof aan de rand van een vel postzegels. Aan zijn blote voeten sandalen, ondanks het koude weer. Dat hij geen schoenen droeg was begrijpelijk want zijn ene voet en been waren akelig opgezwollen en de strak gespannen huid had een nare paarsrode kleur. Een zwerver volgens de kwalificatie in die dagen.

Hij kwam naast ons op de voorste rij zitten en legde het been voorzichtig voor zich op een andere stoel neer, waarna hij vriendelijk naar het welzijn van onze ouders informeerde. Het moest dus iemand uit de anarchistische beweging zijn waarin zowel Anton als mijn vader Albert Jong, een vooraanstaande rol hadden gespeeld. Hierdoor werden Arthur en ik nogal eens aangesproken door mensen die ons bleken te kennen zonder dat wij enig idee hadden wie het waren. Zodoende werden wij, zelfs toen we al in de hoogste klassen van de middelbare school zaten wel eens aangesproken met de genante vraag “Ben jij nu Okkie of Puppie?” , koosnaampjes die onze ouders al hadden laten vallen voordat wij de lagere school betraden. Maar gelukkig, zo goed bleek onze buurman ons ook weer niet te kennen. Anton bleek hij wel degelijk te kennen en hij onderbrak de spreker een enkele maal met een luide opmerking of vraag die de zaal opschrikte maar waaruit ook bleek dat hij zijn weetje wist.

Nauwelijks had de voorzitter de pauze aangekondigd of Anton, ook uiterlijk altijd op en top een heer, spoedde zich naar onze buurman, begroette hem allerhartelijkst en vroeg heel bezorgd wat er met zijn been aan de hand was. De rest van de pauze bleven ze in gesprek, twee geestverwanten en een wereld van verschil. Hij bleek Odo Witsen te zijn, inderdaad, familie van de schilder, en inderdaad, een zonderling uit de beweging. Hij was het type dat men er wel meer tegenkwam, uiterst belezen, maar zonder er veel mee te doen. Hij moest een grote bibliotheek te hebben, woonde alleen, leefde van bijna niets en verwaarloosde zichzelf. Later heb ik hem iets beter leren kennen, gelukkig met genezen been. Een uiterst bescheiden en zachtaardig man.

De tweede herinnering was bij Anton – en Gerda, zijn vrouw - thuis. Hij was door de humanistische jongeren gevraagd een lezing te houden op een weekend en had dat aangenomen. Arthur en ik gingen bij hem langs om nog iets te zeggen of misschien alleen om het programma af te geven. Hij vroeg ons echter binnen en even later zaten we rond de kachel. Gerda kwam omlaag, pumps in de hand. We dronken koffie en het werd recht gezellig. We bleven minstens een uur en hoorde pas bij het afscheid nemen dat zij nog ergens op visite moesten gaan.
Anton had toen net met andere journalisten een reis door de DDR (het communistische Oost Duitsland) gemaakt en daar onder andere een tentoonstelling bezocht van (Russische?) sociaal realistische schilders waar zij werden rondgeleid door een vrouwelijke gids. Bij een schilderij van een schip dat vanaf de oever door de befaamde Wolgaslepers vanaf de oever stroomopwaarts werd voortgetrokken werd uitvoerig stilgestaan. Zag men wel hoe ellendig deze uitgebuite slepers er onder het tsarisme aan toe waren geweest? En hun lot was geen uitzondering, kijk maar, op de achtergrond van het schilderij zie je in de verte andere boten aankomen die net zo werden voortgetrokken. Het was het kapitalistische systeem!

Ik vertel deze anekdotes omdat ik ze leuk vind. En om nog een reden. Ze vertellen iets over de personen Anton en Gerda. En het persoonlijke, het privé leven, ontbreekt in Anton's herinneringen. Zijn vrouw en zoon vermeldt hij slechts een heel enkele maal, als terloops en zonder hun namen te noemen. Constandse behoorde tot een generatie van mensen die hun privé leven ook in hun memoires niet van belang voor hun lezers achtten. Om een titel van zijn boeken te gebruiken, persoonlijke en intieme zaken behield hij voor aan ‘Het soevereine Ik’.

Toch moet ik hier een voorbehoud maken. Misschien had hij er wel iets over willen schrijven, echter, ‘De bron waaruit ik gedronken heb’ is niet in deze vorm door Constandse geschreven. Hij was van plan zijn herinneringen op papier te stellen en had er al afspraken met zijn uitgever over gemaakt doch hij stierf voordat er iets van gekomen was. De herinneringen zoals zij er nu liggen danken wij aan Laurens van Krevelen. Deze heeft het boek samengesteld uit allerlei verspreide artikelen, passages uit een enkel boek en een radio causerie die Anton in een lange reeks van jaren schreef en waarin hij het een en ander over zichzelf en vooral zijn ervaringen verteld heeft. We mogen Laurens van Krevelen, die zijn naam niet eens op de titelpagina liet zetten, dankbaar zijn voor de voortreffelijke wijze waarop hij dit gedaan heeft en waardoor er toch een redelijk compleet beeld van Anton Constandse’s leven voor ons oprijst.

Door het zeer uiteenlopend karakter van de stukken waaruit de samensteller moest putten heeft ‘De bron…’ iets onevenwichtigs gekregen wat tegelijkertijd de charme van het boek uitmaakt. Veel hoofdstukken hebben een nogal opsommend karakter waardoor je overigens een goede indruk krijgt van Antons verbijsterende werkkracht. Tweemaal spreekt hij – nadat hij uit de gevangenis is gekomen en na de tweede wereldoorlog die hij grotendeels als gijzelaar doorbracht - van een ‘explosie van energie’ hetgeen een groot aantal publicaties en activiteiten opleverde. Zelf heb ik altijd de indruk gehad dat de explosie van energie begonnen moet zijn nadat hij uit de buik van zijn moeder was ‘bevrijd’ en die bleef exploderen tot zijn sterfdag.

Er zijn een redelijk groot aantal getuigenissen over Antons vermogen om onder alle omstandigheden – drukte en lawaai om hem heen, direct na een vermoeiende radiosessie enzovoort - te werken. In de bundel ‘Anton Constandse. Leven tegen de stroom in’ die in 1999 onder redactie van Bert Gasenbeek e.a.* verscheen is een volledige bibliografie van en over hem te vinden en vind je veel over zijn leven en activiteiten.

In ‘De bron…’ wisselen de hoofdstukken met vooral informatie over zijn werk en activiteiten zich echter af met hoofdstukken over heel concrete ervaringen en gebeurtenissen. Ik noem zijn gevangeniservaring in 1927, het bezoek aan Spanje in 1937 op een kritiek moment in de burgeroorlog en de revolutie en de internering als gijzelaar tijdens de tweede wereldoorlog. Je proeft hier de blijvende impact die zij op hem hebben gehad en de emoties die er over schrijvend bij hem naar boven kwamen. En dan zijn er de beschouwingen over allerlei onderwerpen. Ik noem slechts het hoofdstuk over de godslastering welke van een verrassende actualiteit is voor het huidige ‘Islamdebat’, ook voor wat betreft de houding van christelijke partijen. Anton vermeldt hier onder andere Dante die Mohammed in zijn ‘Hel’ plaatste.

Met ‘Grondgedachten van het atheïsme’ dat in 1978 verscheen (waarvan de eerste uitgave ‘Grondslagen van het atheïsme’ in 1926 verscheen) en de vijf essaybundels die hij in de laatste tien jaar van zijn leven publiceerde: – ‘Bevrijding door verachting’, ‘Eros, de waan der zinnen’, ‘Anarchisme, inspiratie tot vrijheid’, ‘Het weerbarstige woord’ en ‘Het soevereine Ik’ - vormen de memoires als het ware het geestelijk testament van Anton Constandse.

Het is al meer dan 23 jaar geleden dat Constandse – op 23 maart 1985 - stierf. Zijn grootste bekendheid en invloed verwierf hij zich waarschijnlijk in de zeventiger jaren van de vorige eeuw, als radiocommentator voor de VPRO, als essayist en schrijver. Thans leven we in een wel geheel andere wereld en zijn naam valt niet dikwijls meer. Is dit een oordeel over zijn betekenis? Ik denk dat de velen die in de afgelopen decennia met waardering en dankbaarheid aan hem terugdachten dit enigszins in vergetelheid raken eerder als een oordeel over onze huidig tijdperk zien als over Constandse.
Zijn nuchter en realistisch idealisme waarvan het vrije denken en het anarchisme de inspiratiebronnen waren, gepaard aan zijn geweldige en veelzijdige eruditie, maken hem tot veel meer dan een legende. Het ultieme doel van hem was mensen te helpen zich geestelijk te ontwikkelen om bewuste en vrije burgers te worden.
Trouwens memoires zijn een genre dat zich niets van actualiteit of tijdsgewricht hoeft aan te trekken. ‘De bron…’ geeft een beeld (niet hét beeld) van zo’n 65 jaar van sociaal-politiek en geestelijk leven in bepaalde sectoren van de Nederlandse samenleving.

De titel van de herinneringen heeft Laurens van Krevelen ontleend aan de herhaaldelijk geuite uitspraak van Anton: ‘Ik heb niet gespuwd in de bron waaruit ik gedronken heb’. Een mooie en treffende titel. Juister was nog geweest: ‘De bronnen waaruit ik gedronken heb’. En de beste: ‘De bronnen waaruit ik anderen gelaafd heb’. Maar dat zou hij zelf, met zijn grote bescheidenheid, niet gewild hebben. Die titel moet dus maar wachten op een goede biograaf van Anton Levien Constandse.

Rudolf de Jong

*Gazenbeek, Bert, Rudolf de Jong, Pieter Edelman. Anton Constandse. Leven tegen de stroom in. Papieren Tijger, Breda 1999.

Figuren/plaatjes:


achterzijde

Meer boekennieuws op Facebook.

ingezonden mededeling: